• nl
  • en

De melkveehouderij in Nederland is altijd een grondgebonden sector geweest. Een goede verhouding tussen grond en dier is van groot belang. Dat levert een grote bijdrage aan het Nederlandse cultuurlandschap. De zuivelsector kiest daarom voor een grondgebonden melkveehouderij en voor het behoud van weidegang voor koeien.  

De NZO en de LTO Vakgroep Melkveehouderij verwelkomen dan ook het advies van de Commissie Grondgebondenheid. De commissie is er in geslaagd een uitgebreide visie op grondgebondenheid te formuleren die breed wordt gedragen en die de melkveehouderij een perspectiefvolle toekomst biedt. Door aan te geven langs welke weg de melkveehouderij in 2025 aan de visie kan voldoen, zet de commissie de stip op de horizon waar de zuivelketen behoefte aan heeft. In haar advies houdt de commissie bovendien rekening met de doelen van de Duurzame Zuivelketen op gebied van weidegang, dierenwelzijn, biodiversiteit en klimaat en energie.

Gras van eigen land is onderdeel van een grondgebonden melkveehouderij.

Wat is een grondgebonden melkveehouderij?

De melkveehouderij van de toekomst is grondgebonden. Gras is de basis van het rantsoen van de koe. Ruwvoer komt van eigen grond of grond in de directe omgeving zodat elk melkveebedrijf op buurtniveau zelfvoorzienend is voor gras en ruwvoedergewassen. Grondstoffen van buiten Europa die direct of indirect samenhangen met ontginning van natuurgebieden worden niet langer gebruikt. Elke melkveehouder kan zijn mest probleemloos kwijt op zijn eigen bedrijf of direct in de buurt. Hierdoor ontstaan lokale kringlopen van voer en mest die passen in een circulaire economie. Dit kan de positie van Nederlandse zuivel op de markt en in de samenleving versterken.

De kern van grondgebondenheid is samen te vatten in vier bouwstenen.

1. Minimaal 65% van het eiwit in het rantsoen van de koe moet afkomstig zijn van eigen grond of de directe omgeving van de melkveehouder. Dat betekent dus dat elk melkveebedrijf grotendeels moet kunnen voorzien in zijn eigen eiwitbehoefte.
2. Om lokale ruwvoer-mestkringlopen te realiseren, kan een melkveehouder een buurtcontract afsluiten met een andere agrariër binnen een straal van 20 kilometer over de levering van voer en de afzet van mest. Alleen als de veehouder tenminste 50 procent van zijn ruwvoerbehoefte van eigen grond kan halen, is het mogelijk om een buurtcontract af te sluiten.
3. Voor het grondgebonden karakter van een melkveehouderij is een voldoende grote huiskavel met gras nodig. Dit faciliteert weidegang en geeft een aantrekkelijk beeld van de melkveehouderij in het karakteristieke Nederlandse cultuurlandschap. De veebezetting van een melkveebedrijf in 2025 mag niet meer dan 10 melkkoeien per hectare beweidbare huiskavel zijn.
4. Door een hogere zelfvoorzieningsgraad in eiwit neemt de behoefte aan de import van eiwitrijke grondstoffen zoals soja en palmpitten sterk af. Dat betekent minder afhankelijkheid van de wereldmarkt en minder druk op natuur in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië. In 2025 dient de import van deze grondstoffen voor gebruik in melkveevoeders met 2/3 te zijn gedaald.

In onderstaande video wordt uitgelegd wat het advies van de Commissie Grondgebondenheid inhoudt:

 

Volg ons op:
© Copyright - Nederlandse Zuivel Organisatie - Privacy policy